Wat is een transistor
Transistor is een afkorting van "transfer resistor"
wat overdrachtsweerstand betekend. De transistor is een component waaruit 3
elektrische aansluitingen komen. Deze worden B (basis), C (collector),
en E (emitter) genoemd.
Een
transistor is een elektronisch onderdeel dat een elektrische trilling kan
versterken. De transistor bestaat uit een kristal van een halfgeleider in een
afgesloten omhulling van metaal of kunststof. Er zijn in het algemeen drie
aansluitingen elektroden genoemd. Aan een daarvan (de emitter) wordt het
te versterken signaal toegevoerd, aan de tweede (collector) kan het
versterkte signaal worden onttrokken, de derde aansluiting is voor beide
signalen gemeenschappelijk (basis).
Tussen
de emitter en basis en tussen de collector en basis bevindt zich een
diode.
Over
de basis-emitter-diode wordt een positieve spanning gelegd, zodat vrije
elektronen uit de emitter (N) in de basislaag (P) terecht komen. De
basis-emitter-diode opent. Doordat het emittermateriaal talrijke vrije
elektronen bezit, wordt de zeer dunne basislaag zodanig overspoeld, dat de
elektronen ook in de PN-overgang tussen basis en collector dringen, hoewel deze
zich in spertoestand bevindt. Eenmaal in deze overgang worden de vrije
elektronen door de positieve collector aangetrokken; er vloeit een
collectorstroom. De basis-emitter-stroom heeft een collector-emitter-stroom tot
gevolg.
Bij
alle transistoren geldt: basis stroom+ collector stroom = emitter
stroom
|
basisstroom
|
collectorstroom
|
|

|
|
emitterstroom
|
Dit is een tekening van de veel gebruikte BC547 transistor
(ongeveer 4 keer vergroot)

Een simpele transistor is ongeveer 15 eurocent, en is bijv.
te koop bij Conrad.
In een schema wordt een transistor als letter aangegeven
met T1, T2, etc. en als symbool met:
of 
Hoe het werkt
Indien men een spanningsbron schakelt tussen de C en E
draden, dan laat de transistor geen stroom door zoals hier te zien is (fig. 1).

Als je de transistor schakelt tussen B en E is er
kortsluiting. Wanneer je een zekere stroom erdoor wilt laten vloeien, moet je
een batterij en een weerstand gebruiken (fig. 2).
Indien men een stroom van IB ampères tussen B
en E jaagt, dan zal de transistor aanvaarden een stroom van IC = ß . IB
ampères tussen C en E door te laten (fig. 3). In dit geval bedraagt ß
ongeveer 100.
De elektronische schema’s die overeenkomen met figuren 1,
2 en 3 worden voorgesteld door figuren 4, 5 en 6 :
Nota : voor wie deze schakelingen zou willen
uitproberen : één enkele batterij van 9 Volts kan hetzelfde doen als
de twee batterijen (fig. 7 en 8) :

De richting van de stroom is voor een
transistor erg belangrijk, plaats dus de draden aan de juiste pool. De BC547 is
eigenlijk een te kleine transistor om een lamp te laten gloeien. Je kunt daarom
misschien beter een sterkere transistor gebruiken, bijvoorbeeld de BD649 (hier
ongeveer 2 keer vergroot).

Als je de draden verkeerd (fout) plaatst, of als je de
transistor te warm laat worden kan deze verbranden. Pas hiervoor op als je gaat
solderen of een transistor overbelast.
De
reden voor het systematisch 0,7 Volts aftrekken van de UBE
spanning is dat huidige bipolaire transistoren een "parasiete" diode
bevatten. De afgetrokken spanning hangt af van het soort halfgeleider dat men
gebruikt : 0,7 Volts voor silicium, 0,2 Volts voor germanium.
Soorten
Er zijn verschillende soorten transistoren,
waarvan hier de meest gebruikte:
LF, laagfrequent; een transistor speciaal voor
toepassingen beneden de 100 kHz.
HF, hoogfrequent; een transistor speciaal voor
toepassingen van 100 kHz en hoger.
Vermogen; een transistor die een groot vermogen
aankan. Ook deze worden ingedeeld in LF en HF.
Schakelen; een transistor die speciaal ontwikkeld
is voor schakelwerk.
Lage ruis; een transistor met lage ruis
eigenschappen die speciaal voor het versterken van signalen met een kleine
amplitude.
Hoogspanning; een transistor die hoge spanningen
kan weerstaan.
Stuurtrap;
een transistor die met gemiddeldes werkt. |