Elektrisch gezien kan een 16A-groep van 230 volt ongeveer 3.680 watt leveren, en een snoer led-kerstverlichting van 200 lampjes verbruikt maar 5 tot 10 watt. Puur op vermogen zou je dus honderden snoeren kunnen aansluiten. In de praktijk bepaalt niet de groep maar de fabrikant de grens: op de verpakking of het label van het snoer staat hoeveel sets je maximaal mag doorkoppelen, meestal 5 tot 10 snoeren voor led en 3 tot 5 voor oudere gloeilampsnoeren. Die limiet gaat niet over de zekering in de meterkast, maar over het dunne draadje in het eerste snoer waar de stroom van alle volgende snoeren doorheen moet.
Waarom de fabrikant een lager getal noemt dan de groep aankan
Bij doorkoppelen loopt de stroom van snoer twee, drie en vier allemaal door de draad en de stekkerverbinding van snoer één. Die draad is vaak niet dikker dan 0,5 vierkante millimeter en de koppelstekkers zijn klein en licht gebouwd. Fabrikanten testen hoeveel sets er achter elkaar kunnen voordat de eerste verbinding te warm wordt, en zetten dat getal op het label. Ga je daar overheen, dan blijft de zekering van 16 ampère rustig zitten, want je bent nog lang niet bij de 3.680 watt, maar het eerste koppelstuk kan wel degelijk verkleuren, smelten of in het ergste geval vlam vatten. Precies daarom is de aanbeveling van de fabrikant de echte grens, niet de groep.
Rekenvoorbeeld
Stel je koopt snoeren van 240 led-lampjes met een verbruik van 7 watt per stuk en een maximum van 8 doorkoppelingen op het label. Acht snoeren samen trekken dan 56 watt, ofwel iets meer dan 0,2 ampère. Dat is verwaarloosbaar voor de groep, maar het is wel de grens die de koppelstekker van het eerste snoer aankan. Wil je meer, dan begin je een nieuwe reeks vanaf een aparte stekker in een verdeeldoos of buitenstopcontact, niet vanaf het einde van de vorige reeks.
Wat in de tuin nog belangrijker is dan het vermogen
Buiten gelden andere risico's dan binnen. Gebruik alleen snoeren met beschermingsklasse IP44 of hoger en zorg dat de koppelingen tussen de snoeren niet in een plas of in de sneeuw liggen. Een verbinding die vol water loopt, geeft kortsluiting of lekstroom en dan schakelt de aardlekschakelaar de hele groep uit, vaak midden in de avond. Hang koppelingen dus omhoog of stop ze in een waterdichte koppeldoos.
Kijk ook naar de transformator. Veel led-kerstverlichting werkt op 24 of 31 volt via een adapter die bij de stekker zit. Die adapter hoort binnen of in een droge, overdekte ruimte te staan, tenzij op het label uitdrukkelijk staat dat hij buiten mag. Koppel je meerdere snoeren door, dan mag het totale verbruik van die reeks nooit boven het vermogen van de adapter uitkomen; dat getal staat er in watt of volt-ampère op.
Verdeeldozen en kabelhaspels: hier gaat het vaak mis
De meeste problemen met kerstverlichting ontstaan niet bij de snoeren zelf maar bij wat ervoor zit. Een goedkope binnenstekkerdoos onder een afdakje, een kabelhaspel die nog half opgerold is, of drie verdeeldozen in serie. Gebruik buiten een spatwaterdichte verdeeldoos met klepjes, rol een haspel altijd helemaal af, en houd het totaal van alles wat op één buitenstopcontact zit onder de 3.000 watt. Met alleen led-kerstverlichting haal je dat nooit, maar zodra er ook een terrasverwarmer of een elektrische barbecue op dezelfde groep hangt, telt die ineens wel mee.
Zo pak je een grote tuinverlichting aan
Verdeel de verlichting in reeksen van maximaal het aantal dat op het label staat, en geef elke reeks een eigen stekker in een waterdichte verdeeldoos. Sluit die verdeeldoos aan op een buitenstopcontact met aardlekbeveiliging. Wil je de hele boel automatisch aan en uit laten gaan, gebruik dan een tijdschakelklok voor buiten en zet die tussen stopcontact en verdeeldoos, zodat één klok alles regelt. Controleer bij het ophangen en na de eerste storm of alle koppelingen droog zijn. Op die manier kun je een tuin met twintig of dertig snoeren led-verlichting zonder problemen op één groep laten branden, zolang elke reeks maar netjes binnen het maximum van de fabrikant blijft.